Onverdoofd castreren niet meer nodig in 2010

Door: Wageningen UR  05-06-2006
Trefwoorden: Landbouw, Varkenshouderij, Fokken

De Animal Sciences Group van Wageningen UR, gevestigd in Lelystad, heeft nieuwe kennis ontwikkeld waarmee het probleem van berengeur in varkensvlees over een aantal jaren waarschijnlijk verleden tijd is. Samen met enkele Noorse en Chinese universiteiten en onderzoeksinstellingen zijn enkele genen in varkens gevonden die mede bepalend zijn voor het al dan niet voorkomen van berengeur. Deze kennis kan door fokkerijorganisaties worden toegepast in hun fokprogramma’s. Als het een beetje meezit, zijn er in 2010 berengeurvrije varkens beschikbaar waardoor het onverdoofd castreren van jonge varkens verleden tijd is. Het onderzoek is mede gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Berengeur is de penetrante lucht die het vlees van veel mannelijke varkens bij het koken of bakken verspreidt. Dit is een groot probleem omdat consumenten in vele landen dit onacceptabel vinden. Om berengeur te voorkomen, worden jonge biggen wereldwijd onverdoofd gecastreerd, maar dat stuit op steeds meer maatschappelijke weerstand. Het welzijn van het jonge big wordt hiermee namelijk geschaad. Castratie wordt daarom binnen afzienbare tijd in verschillende landen verboden, een alternatief is dus absoluut noodzakelijk. Meer dan twintig jaar onderzoek heeft nog altijd geen goede vervangende manier opgeleverd waarmee berengeur kan worden voorkomen. Een groep internationale onderzoekers, onder leiding van Dick van de Wiel van de Animal Sciences Group, is daarom begin 2005 op zoek gegaan naar moderne genetische technieken om een effectieve en betaalbare, maar ook diervriendelijke methode mogelijk te maken om berengeur te voorkomen en op te sporen in levende dieren. Zij hebben met behulp van moderne proteomics-technieken enkele eiwitten geïdentificeerd die bij het ontstaan van berengeur betrokken zijn, en daarmee de verantwoordelijke achterliggende genen. Omdat sommige varkens wel, en andere geen noemenswaardige berengeur vertonen, moeten in die genen varianten aan te wijzen zijn die de mate bepalen waarin een exemplaar zal rieken. Met deze kennis kan bij levende varkens voorspeld worden welke varkens sterker met berengeur behept zijn dan acceptabel is. Hiermee kan een nieuwe detectiemethode ontwikkeld worden waarmee in het slachthuis karkassen met een te hoog gehalte aan berengeur kunnen worden opgespoord daarnaast kunnen, met behulp van die kennis fokprogramma’s worden opgezet om de hoog-geurende varianten weg te selecteren.

De gedachte om berengeur weg te fokken is op zich niet nieuw, maar liep altijd stuk op het probleem dat de geur samenhangt met de geslachtshormoonhuishouding. Geslachtshormonen bepalen immers niet alleen de vruchtbaarheid, maar ook de groei. Klassieke fokprogramma’s kwamen er dan ook op neer dat het verdwijnen van berengeur samenging met tragere groei, latere rijping en bij zeugen een verminderde vruchtbaarheid. Was met die groeivertraging nog wel te leven, het vruchtbaarheidsprobleem had tot gevolg dat de resultaten van zulke fokprogramma’s economisch nooit levensvatbaar waren.

Naar alle waarschijnlijkheid is het met de gedetailleerde genetische kennis waarover deze onderzoeksgroep nu beschikt, wel mogelijk om berengeur op zo’n manier weg te selecteren dat vruchtbaarheid, vleesaanzet en groeitempo onaangetast blijven. Bovendien zullen deze dieren minder fosfaat uitscheiden, waardoor de milieubelasting vermindert.

Momenteel wordt een patentaanvraag ingediend om deze nieuwe techniek te beschermen. Binnen ongeveer een half jaar kunnen fokkerijorganisaties daadwerkelijk aan de slag met de nieuwe kennis om berengeurvrije varkens te fokken. Als het een beetje meezit, worden over een jaar of vier de eerste biggen zonder berengeur geboren.

Trefwoorden: Berengeur, Fokken, Landbouw, Varkensfokkerij, Varkenshouderij,