Het zal je maar gebeuren: kennis of onkunde?

Door: Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw, Erb (expertcenter Regulations In Building)  13-07-2007

Samenvattend bericht n.a.v. de case beschrijving door dr.ir.N.P.M.Scholten (Expertisecentrum Regelgeving Bouw ERB) en Ing.A. de Jong (Adviesburo Nieman )

Imagoschade en vermogensschade van meer dan een miljoen euro. Dat is het resultaat van een meer dan drie jaar durende strijd tussen ABO Holding te Driebergen en de Gemeente Bunnik. En waarom? Een interessant kleinschalig woningbouwplan van minder dan vier verdiepingen werd in het begin van de vergunningenprocedure door het gemeentebestuur, lees de brandweer, onoordeelkundig belast met aanvullende brandveiligheids-eisen. Een open trap aan de gevel, zijnde een veiligheidstrappenhuis, moest een overdruktrappenhuis worden. Zoals vaker voorkomt verzette de ontwikkelaar zich niet en liep daarna compleet vast. Het voldoen aan de gestelde eisen leidde tot interne strijdigheid in de bouwvergunning. Het geëiste overdruktrappenhuis was slechts uitvoerbaar bij ingrijpende wijziging van plattegronden en gevels. De ontwikkelaar wendde zich tot het Expertisecentrum Regelgeving Bouw. ERB stelde een gelijkwaardige oplossing voor. De gemeente weigerde elke vorm van overleg. Er werd daarop in juli 2005 een aanvraag tot wijziging bouwvergunning ingediend die op 12 september 2005 werd geweigerd. Bij bezwaar werd een uitvoerige technisch-juridische toelichting gegeven door de deskundige. De commissie besliste niet en vroeg NIBRA contraexpertise. ABO liet het ERB advies verifiëren door Adviesburo Nieman dat zich daarbij aansloot. Ook dat advies werd ingebracht in de bezwaarprocedure. De deskundigen van partijen werden het niet eens over de technisch-juridische inhoud van het begrip gelijkwaardigheid en het bezwaar werd ongegrond verklaard. Daartegen is in beroep gegaan. Inmiddels was het project goeddeels gerealiseerd. De tijd schreed voort en er werd door ABO gemeld dat men het gebouw in gebruik wilde nemen met de aanpassingen als door ERB geadviseerd. De eerste drie woningen werden bewoond. De gemeente sommeert om geen woningen meer in gebruik te nemen en neemt een op 5 april 2006 een bestuursdwangbesluit inhoudend de eis tot realisatie van een overdruktrappenhuis en het aanstellen van 2 brandwachten hetzij tot de geëiste realisatie hetzij permanent. Bezwaar wordt aangetekend en voorlopige voorziening gevraagd bij de rechtbank. Op 29 juni 2006 volgt ongegrondverklaring door de gemeente en op 7 september 2006 doet de bestuursrechter uitspraak. Die oordeelt dat er in afwijking van de vergunning is gebouwd, dat het gebouw in gebruik is genomen zonder gereedmelding, en dat er geen zicht is op legalisatie omdat er geen gelijkwaardige situatie is gerealiseerd e.e.a. in aansluiting op de NIBRA rapportage., en wijst voorlopige voorziening af.
Tegen beide uitspraken is hoger beroep aangetekend. Hangend dit beroep is er een nieuwe aanvraag wijziging bouwvergunning 2e fase ingediend inhoudend een aantal mineure extra veiligheidsmaatregelen. Op 3 augustus 2006 werd ook deze aanvraag geweigerd.
Na bestuurlijk overleg en het uitbrengen van andermaal een negatief advies door NIBRA is de gemeente alsnog tot de conclusie gekomen dat van een voldoende veilige situatie sprake is. De bouwvergunning is daarom op 6 november 2006 alsnog verleend. De gemeente diende een rekening van 500.000 euro in voor de brandwachten. De hoger beroepen lopen nog.

Conclusie die getrokken mag worden is dat er vooral op het gebied van brandveiligheid teveel interpretatieruimte cq gemeentelijke beleidsvrijheid in de technische regelgeving aanwezig is. Het gevolg daarvan is telkens weer onoordeelkundig handelen van partijen wat vervolgens leidt tot het innemen van posities. In gewone termen: men gaat op z’n ponteneur staan en wil geen gezichtsverlies. In dit geval had de vergunninghouder geen keuze anders dan te bouwen in afwijking van de bouwvergunning en dat door toedoen van onjuist handelen van de gemeente zelve. Die afwijking leidde tot een kettingreactie en tot weigeren van de gereedmelding. Vervolgens een dwangbevel wegens in gebruikname zonder gereedmelding. De overtredingen zijn onmiskenbaar. Maar wie is daar nu de veroorzaker van. In dit geval de gemeente door onvoldoende kennis van zaken. Helaas moet ook in deze case de conclusie getrokken worden dat de bestuursrechtpraak geen eer doet aan de inhoudelijke technisch- juridisch argumentatie die door de betrokken deskundigen ter tafel wordt gebracht.

De volledige beschrijving van deze case en de leerpunten die daaruit getrokken kunnen worden is te vinden op de websites van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw (www.bouwregelwerk.org) en van Adviesburo Nieman (www.nieman.nl)


Contact Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw, Erb (expertcenter Regulations In Building)

E-mail

Deze pagina afdrukken

Share